Wool Cap

Flip is coming for dinner, I hear his car driving past the house.  I’m sitting at the table under the lamp wearing my knitted wool cap, I’m supporting my head with my hands, he can see me.  It is a moment of grace, I try to place myself within Flip’s soul.  What will he do when he sees me sitting like that.  Ach, I know already, he will not react, he doesn’t care how I sit, and besides, although I don’t know it he is bringing with him a Japanese poem.

During dinner, Flip writes something on a napkin in English.  It is autumn time/ I go nowhere/ No one comes here.  This is probably his answer to my wool cap.  I ask “Japan?”, he nods and scoops another spoonful of small potatoes onto his plate.  I ask him who wrote the poem, and when.  He says:  “I will have to give you the answer to that later, but I can tell you that the little verse can also be read metaphorically.”  I am dismayed, and say:  “Oh God, no, I always simply read what’s there.”

At eleven o’clock Flip has had enough, he wants to go home.  There’s a sentence he often repeats:  “Well, I’ve got to go take care of the horses.”  The advantage of this ritual formula is that it is free of emotion.  You don’t have to be ashamed or feel impolite.  When occasionally he forgets the time and it becomes too much for me, I ask:  “Shouldn’t you go take care of the horses?”  Then he is startled awake, says “Oh, yes,” and presses my hand in taking his leave.

When he is gone, I ask myself why a Japanese poem should be in English.  I translate:  Het is herfst/ ik ga nergens naartoe/ niemand komt mij bezoeken.

The next morning, I receive a message.  Subject:  Dates for Snijders.  The poem was composed by Shohaku, who lived from 1442 to 1527, at the time when here in our country a poem was written about how all the birds had begun their nests.  Flip has also done a translation:  Het is herfsttij/ ik ga nergens heen/ niemand komt langs.

I find herfsttij too pompous, but otherwise his translation is better than mine.

That doesn’t matter much to me, I can do masonry better than he can.  I carry a ladder out of the barn and climb up to a crack in the wall of my house, where last summer I now and then saw a bat come out.  I can take the whole stone out, the hole is empty.  I feel justified in mortaring the thing closed, which I then immediately do.  Afterwards I compose a poem at the kitchen table:  The bat has gone/ the man takes a ladder/ he mortars up the hole.

 

Notes:

The bat referred to at the end of the story appears in another story by Snijders called “Bat”

One of the first pieces of writing in the Dutch language is a fragment–a scribble in the margin of a Latin manuscript, a copyist apparently trying out his pen–that reads:  “All the birds have begun their nests, except you and me.  What are we waiting for?”

The two translations of the Japanese poem are almost the same.  The differences are these:

Snijders:  herfst:  autumn

Flip:  herfsttij:  lit., “waning,” maybe “the waning of the season”

Snijders:  ik ga nergens naartoe:  I go nowhere

Flip:  ik ga nergens heen: I go nowhere

They mean the same thing but heen is neater (and more formal) than naartoe

Snijders:  niemand komt mij bezoeken:  no one comes to visit me

Flip:  niemand komt langs:  no one comes by

Again, Flip’s is neater

 

 

Wollen Muts

Flip komt eten, ik hoor zijn auto langs het huis rijden. Ik zit aan tafel onder de lamp met mijn wollen muts op mijn hoofd, dat ik steun met mijn handen, hij kan me zien. Het is een moment van genade, ik probeer me te verplaatsen in de ziel van Flip.  Wat zal hij doen als hij me zo ziet zitten. Ach, ik wist het van tevoren, hij reageert niet, het kan hem niets schelen hoe ik erbij zit, hij heeft trouwens zonder dat ik het weet een Japans gedicht bij de hand.

Tijdens het eten schrijft Flip iets op een servetje. It is autumn time / I go nowhere / No one comes here. Dit is waarschijnlijk zijn antwoord op mijn wollen muts. Ik vraag ‘Japan?’, hij knikt en schept nog een lepel kleine aardappeltjes op zijn bord. Ik vraag hem wie het gedicht heeft geschreven, en wanneer. Hij zegt: ‘Hierop moet ik je het antwoord schuldig blijven, maar ik kan je vertellen dat je het versje ook overdrachtelijk kunt lezen.’ Ik schrik en zeg: ‘Oh God, nee, ik lees altijd gewoon wat er staat.’

Om elf uur vindt Flip het genoeg, hij wil naar huis. Hij heeft een vaste zin: ‘Kom, ik moet de paarden nog verzorgen.’ Deze rituele formule heeft als voordeel dat hij ontdaan is van emotie. Je hoeft je niet te schamen of je onbeleefd te voelen. Als hij soms de tijd vergeet en het mij te veel wordt, vraag ik: ‘Moet je de paarden niet verzorgen?’ Dan schrikt hij wakker, zegt ‘oh ja’ en drukt me de hand ten afscheid.

Als hij weg is, vraag ik me af waarom een Japans gedicht in het Engels moet. Ik vertaal: Het is herfst / ik ga nergens naartoe / niemand komt mij bezoeken.

De volgende morgen krijg ik een bericht. Onderwerp: Jaartallen voor Snijders. Het gedicht is gemaakt door Shohaku, die leefde van 1442 tot 1527, de tijd dat er bij ons gedicht werd dat alle vogels aan hun nest waren begonnen. Flip heeft ook een vertaling gemaakt: Het is herfsttij / ik ga nergens heen / niemand komt langs.

Herfsttij vind ik te deftig, maar voor de rest is zijn vertaling beter dan de mijne.

Dat kan me niet veel schelen, ik kan weer beter metselen dan hij. Ik haal een ladder uit de schuur en klim naar een spleet in de muur van mijn huis, waar ik vorige zomer wel eens een vleermuis uit zag komen. Ik kan de steen er in zijn geheel uit trekken, het hol is leeg. Ik voel me gerechtigd de zaak dicht te metselen, wat ik dan ook meteen doe. Daarna maak ik aan de keukentafel een gedicht: De vleermuis is vertrokken / de man pakt een ladder / hij metselt. 

  

 

A.L. Snijders was born in 1937 in Amsterdam. In 2006, his first collection of “zkv’s” (a term he invented which is an abbreviation of “zeer korte verhalen,” or “very short stories”) was published by AFdH Uitgevers.  Several collections followed, including De Mol en andere dierenzkv’s (The Mole and Other Very Short Animal Stories, AFdH, 2009). In November 2010, Snijders was awarded the Constantijn Huygens Prize, one of the three most important literary prizes in Holland.

Lydia Davis is the author, most recently, of The Collected Stories of Lydia Davis (Farrar, Straus & Giroux, 2009) and a new translation of Gustave Flaubert’s Madame Bovary (Viking Penguin, 2010).  Her “Ten Stories from Flaubert” and “Some Notes on Translation” appeared in recent issues of The Paris Review.  She has only recently begun translating from the Dutch.

Issue #35 May 2014
Share This