Two Poems

Winter

 

Let this winter pass into another winter.
No more stately brooding. No bluebird’s eggs.
No driven mating or well-built nests.
I want the frost to blast the ground forever
with every seed or shoot that it conceals.

Leave streets as gray as winter has them.
The muddy slush of butchered days,
two blue mittens where the ice was thin.
The lambs are more than I can take.

Nothing worse than the rank excess
of spring exploding into growth.
Below it ice is silencing a son.

Amid this life, he doesn’t count.
No sunlight strong enough to draw him up.

No springtime longs to seek him out.

 

 

 

Winter

 

Laat het na deze winter nog eens winter zijn.
Geen statig broeden meer. Geen kievitsei.
Geen welbedreven paring of zorgvuldig nest.
Ik hoop dat kou de grond voorgoed verpest
met alles dat nog kiemen zou daarbij.

Laat straten grauw zoals ze ’s winters zijn.
De moddersneeuw van uitgebeende dagen,
twee blauwe kinderwanten naast een wak.
Ik kan geen lammetjes verdragen.

Niets erger dan dat woekerend gemak
waarmee de lente aan het groeien slaat.
Daaronder houdt het ijs een zoontje stil.

Voor al dat leven maakt hij geen verschil.
Er is geen zonlicht dat hem bovenbrengt.

Geen voorjaar dat hem kennen wil.

 

 

 

***

 

That day I tumbled, unsuspecting, into someone else’s life, someone else’s
driving lesson, shopping list, lecture, into someone else’s
hesitations, beginner’s legs at ballet.

And nowhere was I lost, I walked countless orphans
to respectable parents and taught a drinking man
to trust his glass would last,

I stormed bruised and battered women out of houses,
shuffled beggars into castles, made a cold mother
kneel in time beside a fallen child,
I was that fallen child.

I taught a soccer player to believe in God like the smack
of the ball on the crossbar, a blind man to find
everything he lacked without asking,
I was the talent the painter had
to rise above his light.

Only a skinny, early-morning swimmer’s
totally unquestioning dive into
the pool between the trees,
came out too forced.

Powerless, she hovered over the water while I slipped back,
in motion once again, leaving her to shiver, losing heart,
the swimsuit already starting
to vanish.

 

 

Liet me argeloos vallen die dag in andermans leven, andermans
autorijles, boodschappenlijstjes, college, in andermans
aarzelingen, beginnende benen op dansles.

En overal wist ik de weg, ik wandelde talloze wezen
naar propere ouders en leerde een drinkende man
op de duur van zijn glas te vertrouwen,

ik stormde bont en blauw geslagen vrouwen huizen uit,
schuifelde bedelaars kastelen in, liet een kille moeder
tijdig knielen bij een kind dat viel,
was het kind dat viel.

Ik leerde een voetballer in god te geloven als in de klap
tegen de lat, een blinde alles dat hij miste
zonder vragen terug te vinden, ik was
het talent dat de schilder bezat
aan zijn licht te ontkomen.

Alleen het echt vanzelfsprekende te water gaan
van een magere zwemster, ‘s ochtends vroeg,
in het buitenbad tussen de bomen,
verliep uiterst krampachtig.

Boven het water bleef ze machteloos zweven terwijl ik
teruggleed, opnieuw in beweging, haar huivering
uit, de moed opgegeven, het badpak
al bijna verdwenen.

 

 

Ester Naomi Perquin was born in Rotterdam in 1980 and is counted among the leading Dutch poets of her generation. She has published three collections of poetry and won major awards for each of them, including the prestigious VSB prize for her most recent volume, Cell Inspections, largely inspired by the several years she spent working in the prison service. The Hunger in Plain View, a selection of her poetry translated by David Colmer was published in the USA by White Pine Press in early 2017.

 

David Colmer is an Australian translator, mainly of Dutch-language literature, and the winner of numerous translation awards. Recent books include translations of the poetry of Hugo Claus and Cees Nooteboom. His translation of a selection of Ester Naomi Perquin’s poetry, The Hunger in Plain View, was published by White Pine Press in early 2017.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Liet me argeloos vallen die dag in andermans leven, andermans

autorijles, boodschappenlijstjes, college, in andermans

aarzelingen, beginnende benen op dansles.

 

En overal wist ik de weg, ik wandelde talloze wezen

naar propere ouders en leerde een drinkende man

op de duur van zijn glas te vertrouwen,

 

ik stormde bont en blauw geslagen vrouwen huizen uit,

schuifelde bedelaars kastelen in, liet een kille moeder

tijdig knielen bij een kind dat viel,

was het kind dat viel.

 

Ik leerde een voetballer in god te geloven als in de klap

tegen de lat, een blinde alles dat hij miste

zonder vragen terug te vinden, ik was

het talent dat de schilder bezat

aan zijn licht te ontkomen.

 

Alleen het echt vanzelfsprekende te water gaan

van een magere zwemster, ‘s ochtends vroeg,

in het buitenbad tussen de bomen,

verliep uiterst krampachtig.

 

Boven het water bleef ze machteloos zweven terwijl ik

teruggleed, opnieuw in beweging, haar huivering

uit, de moed opgegeven, het badpak

al bijna verdwenen.

 

 

 

 

 

 

Ester Naomi Perquin was born in Rotterdam in 1980 and is counted among the leading Dutch poets of her generation. She has published three collections of poetry and won major awards for each of them, including the prestigious VSB prize for her most recent volume, Cell Inspections, largely inspired by the several years she spent working in the prison service. The Hunger in Plain View, a selection of her poetry translated by David Colmer will be published in the USA by White Pine Press in early 2017.

 

David Colmer is an Australian translator, mainly of Dutch-language literature, and the winner of numerous translation awards. Recent books include translations of the poetry of Hugo Claus and Cees Nooteboom. His translation of a selection of Ester Naomi Perquin’s poetry, The Hunger in Plain View, will be published by White Pine Press in early 2017.

 

Current
Share This